Staatsbosbeheer

8 november, 2013


Brochure voor recreanten over herinrichting van deel Nationaal Park Dwingelderveld door Staatsbosbeheer

Staatsbosbeheer creëert nieuwe kansen voor natuur in Dwingelderveld


Op weg naar een ander bos

In het noordelijke bosgebied van het Nationaal Park Dwingelderveld wordt gewerkt aan een omvangrijke operatie. In opdracht van Staatsbosbeheer wordt hier gewerkt aan het natuurontwikkelingsproject Op weg naar een ander bos. Een deel van het productiebos dat hier tussen 1920 en 1940 is aangeplant, maakt in vier fasen plaats voor een open, gevarieerd landschap. Het kappen van ongeveer 150 hectare bos is één van de meest in het oog springende werkzaamheden van dit project. Het dempen van tientallen kilometers greppels en sloten is eveneens ingrijpend. Ook worden recreatieroutes opgehoogd of omgelegd. Het gebied blijft tijdens de werkzaamheden gewoon toegankelijk voor recreanten. Het project wordt uitgevoerd over een periode van ongeveer tien jaar.

De reden voor deze omvangrijke operatie is de ligging van het gebied binnen het Nationaal Park Dwingelderveld. In dit grootste natte heidegebied van West-Europa speelt de aanwezigheid van voedselarm water een belangrijke rol, onder meer door de aanwezigheid van een laag keileem in de bodem. Ook een zo stabiel mogelijke waterstand in vennen en veentjes is cruciaal. Die omstandigheden vormen namelijk de voorwaarden voor het rijke en gevarieerde planten- en dierenleven in het Dwingelderveld. Eén van de doelstellingen van het Nationaal Park is het behoud en de ontwikkeling van die natuurwaarden.

Woeste gronden

Het gebied waarin het herstelbeheer plaatsvindt, ligt wat lager dan de omgeving, en is daardoor wat natter. Deze ‘slenk’ bestond ongeveer honderd jaar geleden nog uit voornamelijk natte heide en stuifzanden, de zogenaamde ‘woeste gronden’. In die tijd keken velen anders aan tegen ‘natuur’ dan vandaag de dag, en werd de waarde van het oorspronkelijke landschap nog nauwelijks (h)erkend. In het begin van de 20e eeuw werden veel heidevelden in Drenthe, maar ook op andere plaatsen in Nederland, ‘ontgonnen’. Het was de tijd van de grote bosbeplantingsprojecten, waarbij vooral tussen 1920 en 1940 veel werklozen werden ingezet om op grote schaal bomen te planten. Daarvoor werden destijds vele kilometers sloten en greppels gegraven, om het water uit dit vanouds natte gebied weg te leiden. Het plangebied draagt nog grotendeels de sporen uit die tijd.

Kappen in vier fasen

Om het water in dit gebied weer de belangrijke rol te geven die het hier van oudsher had, moet er heel wat gebeuren. Elk van de vier fasen begint met het kappen van de uitheemse bomen, zoals lariks, douglasspar en fijnspar. Inheemse bomen, zoals beuk, berk en eik worden zoveel mogelijk ontzien. Het ‘kappen’ gebeurt met groot materieel, zogenaamde timberjacks, machines die bijzonder ‘stil’ werken en daardoor nauwelijks geluidsoverlast in de omgeving veroorzaken. De meeste stammen worden afgevoerd. Hier en daar blijven bomen staan of liggen, omdat ze voor veel dieren en micro-organismen een voedingsbron zijn.
Iedere fase eindigt met het dempen van de bodem van sloten en greppels met keileem, waarna ze met grond worden dichtgeschoven. Het gevolg daarvan is dat de waterstand in het gebied stijgt, en dat grote delen te nat worden voor het bos dat er nu staat. Staatsbosbeheer wil voorkomen dat het gebied vol komt te staan met dode bomen, en heeft daarom besloten ze te kappen.

Bos krijgt ander gezicht

Het resultaat van deze werkzaamheden is dat dit bosgebied een ander ‘gezicht’ krijgt. Het monotone productiebos, waarin de bomen keurig ‘in het gelid’ staan, verdwijnt hier helemaal. Daarvoor in de plaats zal een nieuw en gevarieerd, open landschap ontstaan, waarin water de belangrijkste rol speelt, en de natuur zich vrij kan ontwikkelen. De verwachting is dat boomsoorten zoals berk en wilg, eik en grove den een plaats in het gebied gaan veroveren. Waar water blijft staan, krijgen ook hoogveenplanten zoals veenmossen en veenpluis een kans. Omdat Staatsbosbeheer de natuur zo veel mogelijk zelf het werk wil laten doen, is niet precies te zeggen hoe het gebied zich gaat ontwikkelen, en welke soorten zich er zullen vestigen. Duidelijk is wel dat het plangebied aantrekkelijk wordt voor verschillende soorten planten en dieren.

 

Onderstaande teksten zijn in kaders in de brochure geplaatst


Voedselarme en vochtige gebieden zeldzaam in Nederland

 

Uitgestrekte voedselarme, vochtige gebieden zijn de afgelopen decennia zowel in Nederland als in de rest van West-Europa uiterst zeldzaam geworden. Het Dwingelderveld kent een rijk en gevarieerd planten- en dierenleven. De betekenis van het Dwingelderveld is alleen al daarom zeer groot. Dopheidevelden zijn in het buitenland vrijwel verdwenen, maar in Nederland nog in enige omvang bewaard gebleven.

Het Dwingelderveld is als voedselarm en vochtig heidegebied met heidevegetaties met struik- en dopheidevelden dan ook uniek in heel Noordwest Europa. De vele voedselarme vennen, zoals het Holtveen en het Langeveen zijn van groot belang voor planten en dieren.

Dwingelderveld belangrijk voor behoud zeldzame flora en fauna

Het Dwingelderveld is een uniek landschapstype met typerende plantensoorten. De beheerders van het gebied zijn er trots op dat planten zoals klokjesgentiaan en zonnedauw in het gebied voorkomen, evenals beenbreek, heidekartelblad en stekende wolfsklauw, lavendelheide, veenbes, snavelbies en drijvende egelskop. Een waterplant zoals klein blaasjeskruid is zeldzaam in het grootste deel van Nederland, maar groeit in het Dwingelderveld in veel vennen.

Voor vele soorten vlinders, libellen, loopkevers, reptielen, amfibieën en vogels is behoud van deze vochtige, voedselarme heide erg belangrijk. In delen van het Dwingelderveld, waar boomgroepen van berk, eik en grove den worden afgewisseld met vennen en stukjes heide, broeden boompieper en boomleeuwerik. In de bossen die op de voormalige stuifzanden staan, zijn in de herfstmaanden veel paddestoelen te vinden. Hier en daar staan zeldzame varens, zoals koningsvaren en stippelvaren. Ook de zeer zeldzame geschubde mannetjesvaren en de gebogen driehoeksvaren hebben hier hun groeiplaats. Vanuit de vogelobservatiewand aan het Holtveen zijn allerlei vogels te zien zoals dodaars, geoorde fuut, wintertaling, canadese gans, en af en toe een kiekendief.